Home arrow Koi Base arrow Viswelzijn en Ziekten arrow Diagnostiek van visziekten
Diagnostiek van visziekten PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door Dr. Ir. Olga Haenen   
Wednesday 10 May 2006
In dit artikel gaan we in op de algemene diagnostiek van visziekten en kijkt u meteen eens achter de schermen van het visziektenlaboratorium. Zij doen er uitgebreide diagnostiek van visziekten voor de Nederlandse aquacultuur, dat wil zeggen: vistelers van consumptie- en siervis, particuliere siervishouders en schelpdierbedrijven. De visziektendiagnostiek gaat op verwijzing van een dierenarts.

Een aantal ziekten kunnen prima door de vishouder zelf worden vastgesteld of door de begeleidende dierenarts. Onze visziektencursussen worden door vele viskwekers gevolgd. Voor sommige problemen is echter nader laboratoriumonderzoek nodig om tot een diagnose te komen. Dit kost tijd en geld, maar meestal kan men uit de diagnose lering trekken ter voorkoming van een herhaling van die problemen.

Visziekten
Visziekten kunnen allerlei oorzaken hebben. Visziekten ontstaan door een samenloop van de omstandigheden waar de vis in verkeert (bijvoorbeeld stress en de waterkwaliteit), de conditie van de vis en de ziekteverwekker (parasiet, bacterie, schimmel, virus). Indien je als koihouder de leefomstandigheden zo optimaal mogelijk houdt en dus Koi van goede conditie in je systeem hebt, kunnen aanwezige visziekteverwekkers vaak niet eens toeslaan. Als de Koi gestresst is of bijvoorbeeld verzwakt na een koude winter in de vijver kan ziekte wel zijn tol eisen.

Parasieten
Parasieten komen van nature over de hele wereld in het buitenwater voor. Daar leven ze vaak in een soort evenwicht met de gastheer, de vis. Het zou voor de parasiet ook niet goed zijn zich te agressief naar de vis toe te gedragen, want dan zou zijn gastheer sneuvelen en hij uiteindelijk dus ook, vanwege gebrek aan voedsel. In koivijvers echter is het evenwicht tussen parasiet en Koi vaak weg. Ten eerste worden de vissen daar in veel hogere dichtheden en in monocultuur gehouden en ten tweede vaart de parasiet vaak wel bij het biofilter als nestelplek en de hoge watertemperatuur, waarbij hij zich vaak sneller ontwikkelt. Problemen met een overmaat aan parasieten, zoals de ciliaat Trichodina, komen dan ook regelmatig voor in koivijvers.

Hoe onderzoek je parasieten?
Er zijn allerlei soorten parasieten, van eencellige tot meercellige, van flagellaat tot luis. Parasieten zijn relatief groot en zijn doorgaans met het blote oog of met behulp van een lichtmicroscoop te zien. Dit maakt het mogelijk om thuis zelf de diagnose te stellen, zonder laboratoriumtesten. Parasieten zitten meestal op de huid, de kieuwen of in de darm en soms in de buikholte of zwemblaas. Een vers huidafstrijkje van de slijmlaag van de vis en een stukje kieuw kunnen direct onder de microscoop bekeken worden op de aanwezigheid van parasieten. Na het openknippen van de buikholte van de vis kan analoog een beetje mest op een objectglaasje worden gebracht en na afdekken met een dekglaasje onder de microscoop op parasieten worden gecontroleerd. In de buikholte kunnen zich ook losse parasieten bevinden, zoals lintwormen. De hoeveelheid parasieten per vis is van belang: in de natuur hebben vissen immers ook wel enkele parasieten, zonder dat ze er last van hebben. Bij het visziektenlab van ID-Lelystad wordt tijdens sectie van de vis ook op deze wijze op parasieten gecontroleerd. De uitslag hiervan is dezelfde dag bekend, omdat het om verse preparaten gaat van de vis.

Bacteriën en schimmels
Bacteriën zijn kleine eencellige organismen zonder kern, ter grootte van 200-2000 nanometer, die met de microscoop bij minimaal 200x vergroting te zien zijn. Bij bacteriële aandoeningen vertonen de vissen vaak bloedingen, een opgezette buik met soms schubbenruigheid en hoge aantallen sterftes onder de vissen. Het lastige is, dat dit beeld ook wel eens bij virologische aandoeningen voorkomt. Om vast te stellen wat de oorzaak van de problemen is kan een aantal Koi bij het visziektenlab nader worden onderzocht. We hebben de faciliteiten om de ziekteverwekker te kweken en een naam toe te kennen. Bacteriën komen algemeen in het water en filter voor en ook op de huid van de Koi. Is de slijmlaag van de Koi intact, dan kan deze zich bij een goede conditie verweren tegen de zich hechtende bacteriën. Indien de slijmlaag van huid en kieuwen beschadigd is, bijvoorbeeld als gevolg van het verkeerd vangen van de Koi, als er een slechte waterkwaliteit is of stress, dan kunnen de al aanwezige bacteriën en andere ziekteverwekkers binnendringen en schade aanrichten. Schimmels zijn een- of meercellig. Enkele soorten kunnen vissen direct ziek maken, andere vestigen zich meestal pas in tweede instantie op een al aanwezige huidbeschadiging of wond, vaak te zien als wat-achtige pluizen. Ook bevruchte viseieren kunnen snel door schimmels besmet raken, waardoor de eieren sterven.

Onderzoek naar bacteriën en schimmels
Thuis kan men door middel van een huid- en kieuwpreparaat met de microscoop vaststellen of er veel bacteriën en schimmeldraden aanwezig zijn. Uiteraard moet dan ook het normaalbeeld bekend zijn. Dus van gezond ogende Koi moeten ook uitstrijkjes worden gemaakt. Dan moet eerst worden nagegaan of de primaire oorzaak van de problemen ligt in het verkeerd vangen, transporteren, de waterkwaliteit of een andere stressfactor. Op het visziektenlab worden deze uitstrijkjes ook gemaakt tijdens sectie. Indien er duidelijke verdenking is van een bacteriële uitwendige en/of inwendige infectie, wordt er wat materiaal van de huid en/of de organen (met name milt, lever en nier) met een steriel wattenstaafje genomen en op een steriele voedingsbodem uitgestreken. Bacteriën hebben de eigenschap zich snel te delen: een bacterie vormt al gauw een hele kolonie. Na één of meer dagen in de stoof bij 22°C zie je dan ook allerlei kolonies op de voedingsbodem. Een kolonie (in feite een kloon) wordt vervolgens in suspensie gebracht en getest op biochemische eigenschappen in zgn. ‘bonte rijen'. Dit zijn reeksen van buizen met verschillende groeimedia en een te testen chemisch stofje, zoals druivensuiker of gelatine. Elke bacteriesoort heeft unieke eigenschappen met betrekking tot het omzetten van die stofjes. Ook worden sommige bacteriën gemengd met specifiek antiserum tegen een bepaalde bacterie: als er klontering optreedt herkent de bacterie zijn tegenpool en kan benoemd worden. Na het aflezen van de testen worden de resultaten vergeleken met de gegevens uit de literatuur, zodat de bacterienaam gevonden wordt.Voor schimmelonderzoek worden op het lab specifieke media gebruikt. Typering gebeurt na aankweken en voornamelijk op basis van uiterlijke kenmerken van de schimmel, met behulp van een lichtmicroscoop.

Antibiogram: gevoeligheid voor antibiotica
Van een bacteriekolonie wordt een suspensie gemaakt en deze wordt op een steriele voedingsbodem uitgestreken, waarop vervolgens kleine viltjes, geïmpregneerd met verschillende antibiotica worden gebracht. Na een dag in de stoof zie je bacteriegroei op de voedingsbodem en soms een grote ring zonder groei rond zo'n viltje. Door nu de diameter van die zgn. remzone te meten kun je bepalen of de bacterie gevoelig is voor dat antibioticum. De uitslag van de geteste antibiotica wordt na aflezen aan de dierenarts of kweker doorgegeven. Met die gegevens kan eventueel een gerichte behandeling worden gestart van de Koi met antibiotica.

Virussen
Virusdeeltjes zijn een stuk kleiner dan bacteriën: 20-300 nanometer. Ze bestaan grofweg uit ingepakte stukjes DNA of RNA in een bepaalde configuratie, al dan niet met een eiwitkapsel. Virussen kunnen zichzelf niet voortplanten zonder gebruik te maken van gastheercellen. Het is te vergelijken met de mens die verkouden is: het virus maakt gebruik van het erfelijke materiaal uit de slijmvliescellen om zich te vermenigvuldigen en maakt daarmee de cellen kapot, waardoor een snotterreactie ontstaat. Bij Koi kunnen virussen dan ook flinke schade aanrichten: een algemeen kenmerk van virusinfecties is veelvuldige bloedingen doordat de cellen van o.a. wanden en membranen kapot worden gemaakt. Er zijn geen medicijnen tegen virussen bekend.

Virusisolatie
Virussen zijn niet met een gewone microscoop te zien, wel met een elektronenmicroscoop, maar ook dan alleen als er zeer veel virussen in het monster aanwezig zijn. Voor de diagnostiek van virussen kijk je allereerst bij de vijver naar de ziekteverschijnselen. Naar aanleiding van de ziekteverschijnselen wordt een verdenking op een virus of bacterie geuit. Voor virusonderzoek is de koihobbyist aangewezen op een visziektenlab. Virusinfecties in Koi worden aangetoond door middel van het kweken van het virus op een vissencellijn. Om een virus aan te tonen worden uit grote vissen organen (lever, milt, nier, soms hersenen) verzameld. Van kleine vissen wordt de hele vis minus de staart bemonsterd. Per 10 stuks worden de organen/visjes bij elkaar gevoegd tot een pool. Ook viseieren kunnen getest worden. De pools worden met steriel zand verwreven tot een pasta. Deze wordt per pool in een steriel flesje met op de bodem daarvan een cellijn gebracht en bij de optimumtemperatuur van het te kweken virus gedurende 7-10 dagen geïncubeerd (vissoort/virus afhankelijk). Indien virus in de vis aanwezig is gaat het virus zich in de cellen vermeerderen en vernietigt de cellen meestal binnen 7-10 dagen. Indien de orgaansuspensie virusvrij was worden de cellen niet vernietigd. Deze cellen worden van de bodem losgemaakt en nogmaals 7-10 dagen in een verse fles met de cellijn getest om te kijken of er alsnog celvernietiging en dus een virus aangetoond kan worden.

Virustypering
Nadat een virus geïsoleerd is dient het virus getypeerd te worden. Dit gebeurt door middel van immunofluorescentie (IFT), immunoperoxidase (IPMA) of door de virusneutralisatie-test (VNT). Daarbij speelt steeds hetzelfde principe: het virus wordt aan specifieke antisera blootgesteld. Bij IFT en IPMA wordt het virus nadat het net een cellijn heeft geïnfecteerd zichtbaar gemaakt door een kleurtje aan dat antiserum te doen (bijvoorbeeld rood, of fluorescerend groen). Bij de VNT wordt het virus door het analoge antiserum gebonden, waardoor het niet meer de cellijn kan vernietigen, terwijl het virus niet met de andere antisera reageert en daarbij wel de cellijn kapot maakt.

Tijdsduur van visdiagnostisch onderzoek bij ID-Lelystad
Parasieten:
·         1 dag

Bacteriën en schimmels:
·         antibiogram (bacteriën): 2-7 dagen, afhankelijk van reinkweek van de bacterie
·         isolatie en typering van schimmels en bacteriën: doorgaans 5-30 dagen

Virussen:
·         isolatie: 15-30 dagen
·         typering: 2-14 dagen

Zoals te zien is, duren sommige onderzoeken lang. Zeker als het virus pas in een laat stadium van het testen zichtbaar wordt, door middel van vernietiging van de cellijn, is het antwoord aan de kweker pas laat bekend. Dit is een vervelend iets, maar er is weinig aan te doen. Vissen zijn koudbloedige dieren en veel ziekteverwekkende bacteriën moeten bij 22°C worden geïsoleerd waarbij ze traag groeien. Voor sommige visziekten zijn er internationaal sneltesten in ontwikkeling, zoals Polymerase Chain Reaction testen (PCR). Nadeel van deze testen is dat ze vaak zo gevoelig zijn, dat er vals positieven ontstaan: een vis wordt een bepaalde ziekte toegerekend, die hij niet heeft. Daarom zijn deze testen tot nu toe nog niet internationaal erkend voor keuring van vis bijvoorbeeld. Om zo'n test op te zetten, te valideren en in stand te houden is veel laboratoriumpersoneel nodig en veel vismateriaal uit de praktijk, waarbij de kosten gigantisch oplopen.

Referenties
·         Amos, K.H. (1985). Procedures for the detection and identification of certain fish pathogens. 3rd ed. Fish Health Section, Amercan Fisheries Society,Corvallis, Oregon,114 p.
·         Bruno, D.W., Alderman, D.J., and H.-J. Schlotfeldt (1997). What should I do? A practical guide for the marine fish farmer. Eur. Assoc. of Fish Pathol., Marine Lab, Aberdeen, Scotland, 64 p.
·         Haenen, O.L.M., 1997. Zoeken naar de visziekteverwekker. Aquacultuur Nov 1997: 18-22.
·         Noga, E.J. (1995). Fish disease: diagnosis and treatment. Mosby-Year Book,Inc., St. Louis, Missouri, 367 p.
·         Schlotfeldt, H.-J. (1985). Grundlagen der Fischpathologie. Verlag Paul Parey,Berlin, 425 p.
·         Schlotfeldt, H.-J. and Alderman, D.J. (1995). What should I do? A practical guide to the fresh water fish farmer. Eur.Assoc. of Fish Pathol., Suppl. Bull.EAFP 15(4), 60 p.
·         Sniezko, S.F. (1974). The effects of environmental stress on outbreaks of infectious diseases in fishes. J. Fish Biol. 6: 197-208.

 Tekst: Olga Haenen

 

(C) 2008 www.koi2000.com by Weduwe.COM