|
Vissen hebben een taal, ze spreken met bepaalde tekens, gebaren, kleursignalen, handelingen enz. Als we ons in het onderlinge contact van de vissen verdiepen en daarbij de nodige hoeveelheid geduld opbrengen, kunnen we hun taal enigszins leren verstaan en daardoor een betere kijk krijgen op hun leven.
Kweken Voor velen is een mooi ingericht aquarium als blikvanger in de huiskamer ruim voldoende. Toch zou het onze hobby verruimen als we de vissentaal een beetje zouden beheersen, vooral voor het kweken zou dit van nut kunnen zijn. Kweken is immers niet het op goed geluk bij elkaar brengen van een geslachtsrijp mannetje en vrouwtje. Er komt doorgaans meer bij kijken. Er zijn heel wat soorten waarbij het prille begin van een kweekpoging de nodige moeilijkheden oplevert. Een willekeurige combinatie van een man en een vrouw levert nog geen bruikbaar kweekstel. De lichamelijke toestand moet zo goed mogelijk zijn en het levensritme nauwkeurig gesynchroniseerd. De dieren dienen ook op elkaar ingespeeld te zijn. Op sociaal niveau moet dus alles kloppen. Zijn er communicatiestoornissen bij de partners dan komt er van de kweek niets terecht. Het is daarom nuttig dat men zich als aquariaan ook met de communicatie van de vissen gaat bezighouden. Men zal dan eerder in de gaten hebben als er ergens iets hapert en corrigerend optreden, bijvoorbeeld door andere individuen voor het kweekstel kiezen waarbij alles wat beter klikt.
Geluid De moderne wetenschap heeft ons geleerd wat voor verbazingwekkende systemen er in de dierenwereld bestaan op gebied van communicatie en informatie. Kleur, licht, prikkels, geur, gebaar, actie, elektriciteit, geluid, al die verschijnselen blijken sleutels tot een wereld die de mens van de ene verbazing in de andere doet vallen.
Zou het hier gaan over de communicatie van de mens, dan waren we met de geluidentaal begonnen. Die staat bij ons immers op de eerste plaats. Zonder die geluidentaal en de zichtbare vorm, het schrift, zouden onze samenleving en cultuur niet mogelijk zijn. Vanouds worden de vissen echter als stom beschouwd.
Tegenwoordig weten we dat sommige vissen voor ons hoorbare geluiden produceren en dat bij geluidsversterking vermoedelijk zou blijken dat geen enkele soort volkomen stom is. Toch speelt dit voor de aquariaan een ondergeschikte rol. Slechts in uitzonderingsgevallen, bij de knorgoerami (Trichopsis vittata) bijvoorbeeld, kan men een kreetje van zijn pleegkinderen waarnemen. Dit communicatiegeluid valt volkomen in het niet wat we bij dieren op gebied van kleurencommunicatie kunnen zien.  De knorgourami - Trichopsis vittata Zien vissen kleuren? Op grond van de prachtige kleuren die veel vissen hebben ligt het voor de hand dat er bij deze waterdieren inderdaad kleurwaarneming bestaat. Vissen nemen de kleuren wel niet precies zo waar als wij mensen. Vissen die in modderig water leven waar het zicht slecht is zijn doorgaans grijsbruin en hebben kleine ogen. De ons bekende grottenvis (Astyanax jordani) is opvallend bleek van kleur en heeft met zijn ogen het gezichtsvermogen geheel verloren. Diepzeevissen leven eveneens in het donker, maar door de ontwikkeling van lichtgevende organen die vaak tot ingewikkelde patronen gerangschikt blijken te zijn, hebben de mogelijkheid van kleurenwaarneming niet ongebruikt gelaten. Ze hebben dan ook goed ontwikkelde ogen. Om de kleurentaal van vissen te begrijpen kan men zich best realiseren wat die vorm van communicatie bij ons mensen inhoudt. Bijvoorbeeld, een wit bord met een rode rand zegt niets maar men heeft daar een bepaalde betekenis aan gegeven die algemeen bekend is. Een dergelijk kleursignaal blijkt dus een zeer efficiënte methode van informeren te zijn. Zo hebben de kleuren bij vissen ook een functie te vervullen bijvoorbeeld om een partner te lokken of om een rivaal op afstand te houden.
Kleurentaal Van de kleurentaal is men heel wat te weten gekomen bij de cichliden. Deze vissen hebben een broedzorg en voor deze broedverzorging is een nauwe samenwerking tussen beide partners vereist. Ze moeten elkaar leren kennen en weten wat ze aan elkaar hebben. Zo kwam met de paarvorming en de broedzorg de communicatie tot stand. De kleursignalen, gecombineerd met bepaalde gedragspatronen spelen hier een belangrijke rol. Hoe goed de samenwerking op die manier geworden is, blijkt uit het feit dat na maandenlange scheiding bij voorkeur weer de partner wordt gekozen waarmee reeds eerder met succes werd gepaard. De vissen zijn, bijvoorbeeld, in staat een plaats af te spreken waar de eieren moeten worden afgezet en over de verdeling van verdere werkzaamheden kan eveneens worden overlegd. Voorts moeten rivalen aan het verstand worden gebracht dat ze geen toegang hebben tot het broedgebied en dat grensoverschreiding onmiddellijk zal worden gestraft. Dit alles blijkt met kleurentaal mogelijk te zijn. De woorden daarvan komen door kleurvlekken tot stand en die worden weer mogelijk gemaakt door in kleurcellen aanwezige kleurstof. Zijn de kleustofkorrels tot alle vertakkingen van het cellichaam verspreid, dan vormen de cellen met elkaar een duidelijk zichtbaar kleurvlek. Stromen ze echter naar het centrum van de cel en verenigen ze zich daar tot een kleine, puntvormige bol, dan zijn de kleurvertakkingen volkomen onzichtbaar en is de kleurvlek verbleekt, eventueel zelfs totaal onzichtbaar geworden.
Bij de ons bekende maanvis (Pterophyllum scalare) is deze kleurwisseling zeer goed te zien. De kleurverandering kan langzaam tot stand komen onder invloed van hormonen, zoals we zien bij het pronk-of prachtkleed in de voortplantingstijd. Een snelle verandering vindt door het zenuwstelsel plaats en deze speelt zowel bij de stemming alsook bij de communicatie een rol. Deze kleurverandering staan nauwkeuriger aflezen toe dan bewegingsgedrag. Het is daarom niet eenvoudig om op die manier partner of vijand te bedriegen.
Een kleursignaal, soms gepaard met het spreiden van vinnen en kieuwdeksels alsmede het bewegen van de kop, heeft een speciale betekenis voor soortgenoten.
Bij de Afrikaanse vijfvlekcichlide (Hemichromis faciatus) komen zoveel verschillende kleurpatronen voor dat men dacht met verschillende soorten te maken te hebben. Deze fout is in het verleden zelfs door wetenschappers gemaakt. De verschillen in de kleurpatronen zijn zeer frappant. Een vlek die het ene ogenblik donker is, kan een moment later licht zijn, terwijl een duidelijke lengtestreep of dwarsband volkomen kan verdwijnen.  Twee koraalvlinders - Chaetodon sp. Een mooi voorbeeld van verandering van de streep- en vlektekening zien we hiernaast op de kop van de Afrikaanse Burton muil-broeder (Haplochromis burtoni) tijdens een gevecht en in de fase van eiafzetting. In beide situaties zijn de kieuwdeksels uitgezet zodat de zich hierop bevindende kleurvlek bij het vooraanzicht van de kop te zien is. Tijdens het kuitschieten blijkt deze vlek lichtgekleurd te zijn en bij het gevecht donker. In het laatste geval is ook de donkere streeptekening van de kop intenser, wat een dreigend effect geeft doordat de indruk van een vervaarlijk masker ontstaat. Ook bij andere cichliden geeft de spreiding van de kieuwdeksels een totaal ander uiterlijk aan de voornamelijk vooraanzijde van de kop.
Ook gekleurde vinnen kunnen bij cichliden eveneens bij de kleurentaal zijn ingeschakeld. Voorbeeld het leiden van de jongen bij de kersebuikcichlide (Pelvicachromis pulcher). In de voortplantingstijd zijn de buikvinnen fel rood gekleurd met een blauw randje. Is alles veilig dan houdt de moeder de buikvinnen uitgestrekt en zwemmen de jongen om de signaalvlag heen. Dreigt er echter gevaar, dan worden de buikvinnen ingetrokken, waardoor de signaalvlag verdwijnt, waarop de jongen onmiddellijk naar de bodem in dekking gaan. Door hun schutkleuren en omdat ze zich niet verroeren, vallen ze niet op. Deze reactie blijkt de eerste levensdagen het sterkst te zijn. Het einde van het alarm wordt weer door een signaal aangekondigd: één van de ouders zwemt dan met een rode buik en buikvinnen over hen heen. Rood is dus hier geen stoplicht, maar komt overeen wat voor ons groen kan betekenen.
Dit leiden met de rode signaalvlag speelt ook ’s avonds een rol bij het naar bed brengen van de jongen. Dit gebeurt in een rotshol, in het aquarium een halve bloempot of schelp van een cocosnoot. Eerst inspecteert de moeder het hol, is de kust veilig dan is het de bedoeling dat de jongen haar volgen. Die zijn echter bij dreigend gevaar op de bodem in dekking gegaan omdat de rode seinvlag in het hol was verdwenen. Verschillende malen kan dit stukje onder-water-toneel van inspectie en jongen halen worden opgevoerd.
Bij verwante soorten wordt iets dergelijk gezien zij het soms met kleine variaties. Zo houd het vrouwtje van de Reitzigs dwergcichlide (Apistogramma reitzigi) de borstvinnen stil. De jongen gaan bij dit signaal onmiddellijk naar de bodem, waar ze door hun schutkleur niet opvallen. Als de jongen wat groter zijn, zal het vrouwtje bij gevaar boven hen staan en op karakteristieke wijze met de kop trekken. Ook dan gaan de jongen naar de bodem in dekking. Het einde van het alarm wordt bekend gemaakt doordat het vrouwtje opnieuw boven de jongen plaats neemt, waarbij ze de borstvinnen en de kop beweegt en een bepaalde kleurpatroon laat zien. Ze zwemt dan zigzaggend weg waarop de jongen haar volgen. Dit zigzaggend zwemmen is een signaal om te volgen wat aangeboren is bij de jongen. Ook de kleur van de ouderdieren speelt hier een zeer belangrijke rol. Bij eenvoudige proeven met schijven van verschillende kleur en grootte die zigzaggend bewegen, zullen de jongen de schijf met de kleur en grootte van het ouderdier volgen. Tegen de tijd dat de jongen de ouders verlaten verdwijnt de voorkeur voor de grondkleur van de ouders. Voor de individuele herkenning speelt het kleurpatroon ook een zekere rol.
Bij de balts wordt veelvuldig met die kleursignalen gewerkt. De dieren hebben meer interesse in een partner met snelle bewegingsmogelijkheden van dezelfde kleur dan in een die minder levendig is. Dit is zeer belangrijk, want een beweeglijke partner zal door zijn snelle reacties beter in staat zijn de eieren en jongen te beschermen.
Bij het imponeren kan men bij de verschillende soorten overeenkomstige gedragshandelingen bemerken. Zo gebruikt de hoogvinkarper (Poecillia velifera) zijn grote rugvin als signaalvlag om rivaal of partner zijn wensen kenbaar te maken en kunnen twee mannen met wijd uitgespreide vinnen dreigend naast elkaar staan.
Als regel ziet men dat het dier met de grootste rugvin het meest actief is en de groepsgenoten domineert. Ook bij de balts zet de man al zijn vinnen uit, waarmee heftig wordt gesidderd, en laat hij bovendien nog kleurvlekjes zien die slechts bij deze gelegenheid worden getoond.
Ook van de taal van de labyrintvissen is heel wat ontcijfert. Bijvoorbeeld bij de Colisa labiosa. Is de man in de voortplantingstijd licht gekleurd met op de romp fel gekleurde, dunne dwarsbanden dan wil hij daarmee zeggen dat hij ter plaatse zijn nest heeft en voor niemand te spreken is. Wanneer hij daarentegen zeer donker gekleurd is, betekent dit dat hij dringend een vrouw zoekt om na wederzijdse kennismaking tot een gelukkig huwelijk te komen maar dat een andere man in het territorium met nest niet wordt geduld.
Een licht vrouwtje van de diamantgoerami (Trichogaster leeri) in de voortplantingstijd deelt haar partner mee dat ze bereid is tot afzetten van de eieren, terwijl een donkere man met een rode buikpartij en een donkere lengtestreep zijn vrouw uitnodigt hem naar het nest te volgen om de eieren af te zetten. Bij bepaalde karperzalmen treft men zelfs verschillende dag-en nachttekeningen aan. Het is interessant voor de aquariaan om eens op die verschillen te letten. Misschien worden door deze soorten bepaalde ‘kleurendialecten’ gesproken die alleen door de eigen soort wordt begrepen om zo kruisingen te vermeiden.
In de natuur leven de platy’s (Poecillia maculatus) en de zwaarddragers (Xiphophorus variatus) dicht bij elkaar maar ze zullen zogoed als nooit kruisen. Kleurpatroon, vorm en gedragsverschillen vormen de voortplantingsbarrière. Ook de grootte van de partner speelt een rol. Een zwaarddragerman is in het aquarium niet met een platyvrouw te kruisen terwijl het omgekeerde wel degelijk mogelijk is en uitstekend kan slagen. Wil het tot een copulatie komen, dan moet het vrouwtje enige tijd blijven stilstaan en daartoe is ze bij een man van een andere soort niet bereid. Ondermeer het kleurpatroon zal haar daartoe weerhouden.
Hoe belangrijk kleursignalen zijn zien we heel goed bij bepaalde muilbroedende cichliden waarbij het vrouwtje de afgezette eieren zo snel in de mondholte opneemt dat het mannetje geen kans ziet ze op de normale manier in de gegraven broedkuil te bevruchten. Om de bevruchting toch nog mogelijk te maken heeft het mannetje op de aarsvin een aantal ronde vlekken, de eivlekken, ontwikkeld die er precies als eieren uitzien. Het mannetje toont die eivlekken op een speciale manier en het vrouwtje wil ze ook nog oppikken. Op dat moment loost hij zijn homvocht, dat met het ademhalingwater in de mondholte van het vrouwtje terechtkomt waar de eieren dan alsnog worden bevrucht. Hier blijkt een kleursignaal levensreddend voor de soort te zijn geweest. Grootspraak komt hier overigs ook voor. Sommige soorten gaan in hun ijver om namaakeieren te maken op hun aarsvin zo ver dat de vlekken veel groter zijn dan de echte. Merkwaardig genoeg heeft het vrouwtje een grotere belangstelling voor die grote imitatie-eieren dan de echte. Dit is niet erg want zo kan de man de echte eieren die in het broedhol liggen bevruchten. De oorspronkelijke werkwijze is hier als het ware weer door een achterdeurtje binnengeslopen.
Een kleursignaal is niet alleen om te lokken of af te schrikken maar in geval van en muilbroedende cichlide (Tropheus moorii) uit het Tanganjikameer dat in kleine groepjes leeft, een kalmeringsgebaar.
Er bestaat ook een verband tussen felle kleuren en agressiviteit. De vuurstaart (Labeo bicolor) is hiervan een goed voorbeeld. Deze prachtige soort die bij de aquarianen zeer geliefd is heeft een rode staartvin die fel contrasteert met de rest van het donkere lichaam. De strijdlust blijkt bijzonder hoog te zijn bij deze vissen. De staartvin dient als signaalvlag om het grote territorium dat het dier verlangt, krachtig te verdedigen tegen indringers. De agressiviteit gaat soms zo ver dat hij zelfs niet soortgenoten aanvalt.  Rifbaars - Stegastes nigricans Gedragstaal Hier gaan gedrag (gebaar en actie) gepaard met kleurentaal die in het sociaal leven van de vissen een belangrijke rol spelen.
Dit komt prachtig tot uiting in de voortplantingstijd in het bijzonder bij territoriumgevechten, de balts, de paring en de eiafzetting.
Een voorbeeld van prachtig gedragstaal zien we bij de rangordestrijd van de reuzedanio (Danio aequipinatus). Deze soort komt onder natuurlijke omstandigheden in kleine familie-groepen van ongeveer tien individuen voor. Elke groep blijkt een vastgestelde gebied te bewonen, dat fanatiek tegen indringers van dezelfde soort wordt verdedigd.
De rangorde binnen zo een familie-groep komt tot stand door middel van zwemwedstrijden die door even oude vissen gehouden word. Er worden soms ook wel gevechten gehouden, waarin de andere met de staartvin probeert te slaan. Een krachtige golf tegen de gevoelige zintuigorganen van het zijlijnsysteem moet een pijnlijke gewaarwording zijn.
In rust ligt de hoogste in rang horizontaal in het water, terwijl de ondergeschikten verplicht zijn een schuine houding aan te nemen met de kop omhoog en de staart naar beneden.
Hoe lager in rang, des te steiler de vis in het water moet liggen. Dit schuin liggen wordt niet altijd uit eigen beweging door de vissen gedaan. De hoogste in rang patrouilleert regelmatig door het familiegebied om na te gaan of iedereen zich aan de voorschriften houd met andere woorden: wel steil genoeg in het water hangt. Nadert de controleur, dan gaat een individu vaak wat steiler liggen dan eigelijk bij zijn rang past. Is hij voorbij, dan wordt onmiddellijk weer de gebruikelijke hellingshoek aangenomen. Voor zover mogelijk blijkt ieder dier een territorium te hebben, maar elk mag ook nog het gebied van een lager geklasseerd groepsgenoot doorkruisen. Alleen de leider bezit een absoluut eigen gebied. Voelt een bepaald dier zich sterk genoeg om deze te verdrijven, dan zal hij dit zonder twijfel doen. Hij moet wel van onder af aan beginnen en trachten zich door de hele rij heen te vechten.
In het aquarium kan het wel eens gebeuren dat een mannetje al zijn rivalen ombrengt omdat de vluchtmogelijkheden gering zijn door de beperkte ruimte. Bij cichliden die te klein gehouden worden ziet men dat nogal eens maar er blijkt een soort natuurlijke aanpassing. Ieder dier brengt zo veel strijdlust op als vereist is om zich in het milieu te kunnen handhaven. Dreigen is hier meestal voldoende maar bij gelijkwaardige rivalen komt het tot een gevecht als dit dreigen geen effect meer heeft. Ze beginnen met zijdelingse staartslagen te werken, waardoor drukgolven op de kop van de tegenstander worden gericht. Vervolgens het cirkelen, waarbij de vissen in steeds kleinere cirkels om elkaar heen zwemmen. Daarop volgt het bekvechten, waarbij vooruit en achterwaarts schuivend de wijdopen bekken tegen elkaar worden gebracht om zo de krachten te testen.
Deze spiegelgevechten, waarbij verwondingen als regel uitblijven, worden volgens vaste regels gestreden. Op onbloedige wijze komt zo de sterkste uit de bus en weet ieder waaraan hij zich voortaan dient te houden. De zwakste doet nu het tegenovergestelde van dreigen en imponeren; hij maakt zich klein en laat zijn kleur verbleken. De overwinnaar achtervolgt de vluchtende tegenstander tot aan de territoriumgrens en volhard in zijn dreigende houding totdat de andere de plaat heeft gepoetst.
Bij de muilbroedende cichlide uit het Tanganjikameer, de Tropheus moorii, waar we het al over hadden, heeft zich een interessant gedrachtspatroon ontwikkeld. Deze vissen die ook buiten de voortplantingstijd agressief zijn ontwikkelde zich een kalmerings-gebaar. Het zich onderwerpende dier begint schokkend te zwemmen en stelt zich zo op dat de rivaal de gele dwarsband op de romp duidelijk kan zien. Die band kan binnen een seconde op volle kleursterkte komen om zo de tegenstander te weerhouden om aan te vallen. Zie foto op vorige pagina.
Overigs kan bij verwante soorten een rode band hetzelfde effect hebben. Om het kalmeringsgebaar te doen ontstaan, hebben deze muilbroedende cichliden het verschillend kleurpatroon opgegeven en zijn man en vrouw niet meer van elkaar te onderscheiden. Belangrijk is ook dat de signaaltaal zover gaat dat de leden van de groep elkaar individueel leren kennen. Ze weten hun soortgenoten maar al te goed van indringers te onderscheiden. Men spreekt hier van een ‘gesloten groep’.
Om in zo een groep een vreemd dier te integreren blijkt bijzonder moeilijk te zijn. De nieuweling spreekt een andere signaaltaal en wordt als gevolg daarvan door de groepsleden unaniem geweerd. Een enkele keer kan het bij toepassing van allerlei trucjes misschien nog wel eens lukken, maar de kans is groot dat de immigrant zonder vorm van proces wordt gedood.
Het presenteren van de kleurband blijkt ook een karakteristiek baltsbeweging te zijn die door het mannetje wordt uitgevoerd. Het vrouwtje kan dit kalmeringsgebaar eveneens geven want ze is even agressief als het mannetje. Hierdoor is het mogelijk dat de vrouwtjes en mannetjes in een groep samenleven. Daardoor wordt tevens het seksuele dimorfisme verhinderd en konden geen verschillen in het prachtkleed ontstaan. Een seksuele gedragspatroon wordt dus gebruikt om agressieve tendensen binnen de groep te neutraliseren. We besluiten met enige opmerkingen over de balts van de gup (Poecillia reticulata).
Bij de gup is duidelijk te zien dat gedragspatronen heel geschikt met kleursignalen kunnen worden gecombineerd zodat men bij deze soort van een ‘ballettaal’ kan spreken. Nog in de school zwemmend geeft het mannetje het startsein voor de paring door het vrouwtje van achteren te benaderen en zich dan plotseling van beneden af op haar te storten. Hij maakt bijtende bewegingen naar haar geslachtsopening, maar tracht in deze fase nog niet te copuleren. Als na allerlei bewegingen en de maximale spreiding van de kleurige staart het vrouwtje zij aanbod om te paren aanneemt dan zwemt de man zijn partner snel achterna en komt het tot copulatie. Het vrouwtje wordt daarbij op een speelse manier van achteronderzijde aangezwommen. In elke fase kan de vrouw de gedragsketen onderbreken, waarna de man eventueel van voren af aan begint.
Vaak ziet men dat een bepaalde patroon met een bepaalde stand in het water of een bepaald gedragspatroon correspondeert. De donkere kleurtekening van de man verandert van fase tot fase, rede te meer om hierin een signaalcommunicatie te zien. De donkere partijen verschijnen steeds op die plaatsen van het lichaam die de man naar het vrouwtje toekeert, onverschillig of dit nu de staart of één van de flanken is. De copulatie zelf (met zaadoverbrenging) duurt minstens een seconde. Kortere handelingen zijn slechts pogingen die niet tot bevruchting leiden. Het succes van de copulatie moet bij het vrouwtje worden gezocht. Houdt zij zich afzijdig, dan kan de man niet anders dan machteloos zijn.Gewelddadige copulatie bestaat hier niet. Is de bereidheid aanwezig dan zijn geringe prikkels voldoende. Grote, geslachtsrijpe vrouwtjes hebben meer kans om bij de mannetjes de balts op te wekken. De signalen van het baltsgedrag dragen ertoe bij om kruisingen zo veel mogelijk te vermijden. In dit opzicht is hun functie gelijk aan die van geluiden en kleur. De partners dienen elkaar te herkennen en met al die verschillende signalen die elkaar versterken en ondersteunen zijn ze daartoe uitstekend in staat.  Finding Nemo... Heel mooi komt dit uit in gebieden waar de arealen van twee vissoorten elkaar gedeeltelijk overlappen. Daar verschillen hun gedragssignalen duidelijk van elkaar dan gebieden waarin slechts één van beide soorten voorkomt. Dit geld ook voor de kleurpatronen en geluiden. Zijn de soorten ruimtelijk van elkaar gescheiden dan hoeft er niet zo sterk op al die signalen gelet te worden want de keuze van een andersoortige partner is immers niet mogelijk. Brengt men zulke soorten in het aquarium bijeen, kunnen zich soms de vreemdste kruisingen voordoen. Ze nemen vaak een vrouwtje van een soort die hun in het wild helemaal niet bekend is. Kruisingen kunnen ook optreden als hetmannetje geen eigensoortig vrouwtje kan vinden. Zo zal een zwaarddragersvrouw bij afwezigheid van soortgenoot-man ook wel een platyman proberen, maar dan als tweede keus. Hiervan is het resultaat een op een platy gelijkende vis die een zwaarddragerzwaard heeft.
Met kruisingen is het als regel in het aquarium wat anders gesteld dan in de vrije natuur. Ruimtelijke scheiding en signaaltaal functioneren in de natuur uitstekend en daardoor wordt de partnerkeuze in goede banen geleid. Toch wordt in de natuur soms de voortplantingbarriére doorbroken en ontstaan kruisingproducten. In het algemeen gaan die reeds als ei of larve ten gronde, groeien ze toch op dan blijken ze vaak steriel te zijn en worden doorgaans door de zuivere leden van de soort gemeden. Dit neemt echter niet weg, dat we in bepaalde gevallen van succesvolle kruisingen kunnen spreken. Zo is de Amazone-molly (Mollinesia formosa) ontstaan.
Dit is een kruising van de M. latipinna en de M. sphenops. Zeer opvallend aan deze soort is dat mannelijke dieren volkomen ontbreken. De vrouwtjes worden door andersoortige mannen bevrucht en brengen dan telkens dochters ter wereld, die steeds het uiterlijk van de moeders hebben. Die worden dan zelf door andersoortige mannen bevrucht en krijgen dan weer op de moeders lijkend dochters. Door het onvoldoende functioneren van de signaaltaal kan hier dus zelfs een nieuwe soort tot ontwikkeling komen. Het resultaat hiervan is min of meer voorspelbaar.
Maar er bestaat nog zo iets als parthenogenetische of maagdelijke ontwikkeling waarbij slechts vrouwelijke jongen, die allen identiek aan de moeder zijn, geboren worden. Dit zien we bij de Mollinesia formosa. De eieren krijgen hier van het sperma van de vreemde soort alleen maar de ontwikkelingsprikkel. De man dient slechts als gangmaker van de ontwikkeling van de jongen en kan niet als een echte vader worden beschouwd. De jongen gelijken als twee druppels water op de moeder en zij allemaal van het vrouwelijke geslacht.
Een behoorlijke communicatie, onverschillig of die nu met juiste of in sommige gevallen onjuiste informatie werkt, heeft zin en de dieren kunnen er daadwerkelijk hun voordeel mee doen. Dit wordt sinds jaar en dag zo door de natuur gebruikt.
Bronnen: Van Vis tot Vis – Communicatie in de vissenwereld – Prof. Dr. A. Stolk Auteur: Antoinette Grudzien, Zilverhaai Beringen - Bron: Aquariumclub, De Zilverhaai Beringen vzw
Artikel 152 verscheen in Haaien-Echo’s maart 2006 Auteur: Antoinette Grudzien, Zilverhaai Beringen – bron: www.zilverhaai.be Lees ook: Dossier vissenpraatjes |