|
Weer nieuwe subtropische vissoort in de Waddenzee |
|
|
|
|
Written by Dennis Barten
|
|
Thursday, 06 September 2007 |
|
Op 29 en 30 augustus en 2 september werden in totaal 4 jonge
goudbrasems gevangen in de fuik van het NIOZ Koninklijk Nederlands
Instituut voor Zeeonderzoek op Texel. Deze soort komt algemeen voor in
de Middellandse Zee en staat daar onder de naam dorade ook vaak op het
menu. In de Atlantische Oceaan komt de soort voor net ten zuiden van de
Noordzee; vanaf Senegal tot aan Het Kanaal. Net als bij de pelser dit
voorjaar is hier dus weer sprak van het binnenkomen van een zuidelijker
vissoort.
De goudbrasem (Sparus aurata, Linnaeus, 1758) behoort tot de familie
van de Sparidae, die uit hoge en platte, tropische- of subtropische
vrijzwemmende soorten met goed ontwikkelde tanden bestaat. Aan deze
tanden zijn de geslachten vaak al goed te onderscheiden. De goudbrasem
is een subtropische kustvis, die in zoet, brak en zout water voorkomt.
De diepte waarop de soort voorkomt is vanaf het zeeoppervlak tot op 150
m. De goudbrasem is een roofvis, die zich voornamelijk voedt met
dierlijk voedsel. De verschillende soorten Sparidae zijn op basis van
vlekken of kleuren te onderscheiden, evenals het aantal schubben langs
de zijlijn. De goudbrasem heeft een zwarte vlek boven de borstvin tot
over de achterste kieuwdeksel en het goud in de naam komt van een
goudkleurige band tussen de ogen. Hij heeft 73-85 schubben langs de
zijlijn. De vier gevangen exemplaren waren alle jonge dieren van resp.
1*12 cm en 3*13 cm lengte. Volwassen goudbrasems worden wel 70 cm.
In
de Noordzee is de goudbrasem uiterst schaars en in Nederland is deze
soort zelfs nog nooit eerder gevangen. Dit is tegenstelling toto de
nauw verwante zeekarper, Spondyliosoma cantharus. Deze heeft ongeveer
hetzelfde verspreidingsgebied als de goudbrasem, maar wordt elk jaar
wel uit ons gebied gemeld. In de NIOZ fuik in het Marsdiep werd de
zeekarper sinds 1960 al 11 maal gevangen. Ook hier zijn het altijd
jonge dieren. Zoals bij veel dieren zijn het vooral de jongen die
geneigd zijn de grootste tochten te ondernemen. Dit waarschijnlijk om
eventueel nieuwe leefgebieden te koloniseren. Of de goudbrasem hier
vaste grond onder de voeten kan krijgen, zal moeten blijken. Feit is
wel dat ook andere zuidelijke soorten met een vergelijkbare
verspreiding hier steeds vaker gezien worden.
Anderen worden
algemener. Vanaf de zestiger jaren kenden de diklip-, dunlip- en
goudharder een grote uitbreiding naar het noorden vanuit het kanaal en
vanaf de tweede helft van de tachtiger jaren zien we een sterke toename
van de zeebaars, die we voor onze kust nu als algemeen kunnen
beschouwen. Dit voorjaar werd nog een korte invasie van pelsers in het
Marsdiep waargenomen. Het is redelijk om te veronderstellen dat een
toename van de zeewatertemperatuur hier een rol in speelt, hoewel
andere mogelijkheden ook opengehouden moeten worden. In het geval van
de goudbrasem kan niet geheel worden uitgesloten dat het om exemplaren
gaat die afkomstig zijn uit kweek (aquacultuur). Ze worden nl. landen
rond de Middellandse Zee veel gekweekt en kunnen dus ontsnapt zijn of
zelfs moedwillig uitgezet. Het feit echter dat het hier om jonge
exemplaren gaat, maakt het zeer aannemelijk dat het hier om 'wilde
vissen' gaat.
Bron: NIOZ
|