|
Alan Coogan, één van de meest prominente koihobbyisten uit Europa, voelde
zich niet geroepen om het wiel opnieuw uit te vinden. Zijn vijver komt daarom
dicht in de buurt van een Japanse moddervijver. Dat je daardoor de vissen
nauwelijks kan zien, baart Alan geen zorgen. “De vijver is er voor mijn vissen,
en niet voor haar toeschouwers.” Een portret van de koifluisteraar.
Alan Coogan is geen onbekende van
de vereniging. Zo leerden we hem kennen bij de eerste editie van De Nationale
Koi- en Vijverdagen, waar hij in 2003 als hoofd van de Engelse jury optrad. In
de jaren die volgden, is hij steeds in meer of mindere mate bij het evenement
betrokken geweest. Vanaf begin vorig jaar maakt hij bovendien deel uit van de
redactie en zijn er al verschillende van zijn columns in Koi Wijzer verschenen.
Zo ook in deze editie. Op pagina 36 leest u De
geest van Kobayashi.
Wie is Alan Coogan?
Maar wie ís Alan Coogan nu
eigenlijk, en waarom wordt hij door vrienden en bekenden ook wel de
‘koifluisteraar’ genoemd? Omdat hij een gerenommeerd jurylid is van de British
Koi Keepers’ Society (BKKS)? En hij bovendien een belangrijke rol speelt bij
het opleiden van andere keurmeesters? Ja, zonder twijfel. Maar ook omdat de
bekende kwekers Masaru Saito en Toshio Sakai tot zijn vaste vriendenkring
behoren, en hij ten minste drie maanden per jaar in Japan verblijft. Verder
verwijst zijn bijnaam subtiel naar een leven met het racepaard.
Op uitnodiging van Alan en zijn
vrouw Janet bezocht ik in de zomer van 2006 zijn landgoed in de buurt van het
Britse Newmarket, dat door paardenkenners als hoofdstad van de hippische wereld
wordt beschouwd. En dat is zeker geen toeval. Want naast Koi hebben de Coogans
nog een andere passie: racepaarden. Jarenlang is Alan een succesvol racejockey
geweest. Zijn leeftijd staat hem dat nu niet meer toe, maar nog altijd draait
een belangrijk deel van zijn leven om dit edele dier.
Zo heeft hij er een professie van
gemaakt om met zijn paarden en die van anderen te ‘fluisteren’. Dat wil zeggen
dat hij met paarden contact kan maken en het engelengeduld heeft om ze tot
succesvolle racepaarden te laten uitgroeien. Eén van zijn bekendste paarden
heet ‘Matsunosuke’. Het is het persoonlijke renpaard van Toshio Sakai, dat naar
zijn invloedrijke Matsunosuke-bloedlijn is vernoemd. “Het is fantastisch om te
horen hoeveel moeite Engelse sportcommentatoren soms hebben met het correct
uitspreken van de naam van dit volbloed. Meestal zijn ze bij de tweede
lettergreep al lang en breed gestruikeld”, grapt Alan.
Geen ‘mensenvijver’
Wanneer Alan me naar zijn uitgestrekte
achterland leidt, maakt hij me duidelijk dat hij weinig op heeft met de heldere
showvijvers die hij bij de meeste hobbyisten ziet. Het is niet dat hij twijfelt
aan de goede bedoelingen van deze grote groep koihouders, hij denkt alleen dat
er doorgaans te weinig wordt gedaan met de kennis die in Japan voor het oprapen
ligt. Een heldere vijver komt volgens hem niet overeen met de eisen die een karper
aan zijn omgeving stelt. “Als het even kan, wroet een karper de hele dag in de
modder. Niet voor niets vind je ze het meeste in troebele wateren”, onderbouwt
Coogan zijn stelling.
Toen Alan na vele bezoeken aan
Japan tot dit inzicht was gekomen, bouwde hij zijn vijver naar het voorbeeld
van mudponds zoals je die ook in Niigata kunt vinden. Hij wilde een
vissenvijver bouwen, geen mensenvijver. Wat Alan precies onder een vissenvijver
verstaat, zou hij later verduidelijken. Maar eerst vroeg ik hem naar zijn
begintijd.
Lokaal tuincentrum
Alan weet nog goed hoe het in
1988 begon. In een lokaal tuincentrum stuitte hij per toeval op een stel
vrolijk gekleurde karpers, waarop hij terstond besloot om ze in zijn kleine
siervijver uit te zetten. Dit kon natuurlijk niet lang goed gaan: de
onfortuinlijke Koi legden al snel het loodje. Coogan liet het er echter niet
bij zitten. Hij zocht contact met de BKKS, de Engelse koivereniging, waar hij
in gesprek kwam met oprechte liefhebbers, die niet te beroerd waren om beginners
een helpende hand te bieden. “In het begin dacht ik dat deze mensen uit het
gekkenhuis waren ontsnapt. Zo waren er de dwaze wetenschappers, die me tot in
detail vertelden hoe ammonium via nitriet naar nitraat wordt omgezet. En de
onverstaanbare Japan-dodo’s, die termen als sumi en kuchibeni bezigden alsof
het de normáálste zaak van de wereld was. Hoewel ik me erg met deze mensen heb
vermaakt, zei ik aan het eind van de dag tegen mijn vrouw dat als ik ooit zoals
hen zou worden, ze me met een hard voorwerp op m’n hoofd moest slaan…”
Dat mocht echter niet baten. Want
langzaam maar zeker groeide Coogan uit tot een vaste waarde binnen de Engelse vereniging.
Hij volgde een opleiding tot jurylid en trad als zodanig op bij vele koishows
in binnen- en buitenland. Inmiddels geeft hij intensieve trainingen aan zowel
het Health Standards Committee (HSC)
als het Judging Standards Committee
(JSC). Het laatste orgaan is betrokken bij het opleiden van nieuwe juryleden,
het eerste houdt zich vooral bezig met het vergroten van de kennis van
vrijwilligers van The National, de
nationale koishow van de BKKS.

Alan's vijver, met op de achtergrond zijn koihuis
Shintaro en Sakai
De meeste kennis over Koi heeft
Alan opgedaan tijdens zijn reizen naar Japan. Zijn contacten met topkwekers als
Masaru Saito (Shintaro) en Toshio Sakai groeiden langzaam maar zeker uit tot
hechte en unieke vriendschappen. Gedurende de ongeveer drie maanden waarin hij nu
jaarlijks in Japan verblijft, ‘logeert’ hij zelfs bij Saito-san. “Hoewel Japanners
bekend staan om hun gastvrijheid, zijn vriendschappen met een buitenlander,
zoals die tussen mij en Saito-san of Sakai, een zeldzaamheid. Mijn vriendschappelijke
relatie met beide kwekers heeft dan ook deuren geopend die voor de meeste
liefhebbers altijd wel gesloten zullen blijven. Zo help ik beide kwekers met
enige regelmaat bij het selecteren van Koi en bij de jaarlijkse herfstoogst
(ikeage). Bij Shintaro vorm ik als westerling misschien geen uitzondering, hij
biedt immers wel vaker buitenlanders aan om bij de oogst te helpen, bij Sakai
ben ik dat zeker wel. Ik ben tot dusver de enige niet-Japanner die toegang
heeft tot de moddervijvers van de meester”, aldus Coogan, die daarbij benadrukt
dat de Japanse kwekers verre van onbereidwillig zijn om hun kennis met anderen
te delen. “De taal vormt echter een belangrijke barrière. Ik hecht er daarom
veel waarde aan om het ‘woord van de kwekers’ verder te verspreiden.”
Toshio Sakai, volgens
Alan de beste kweker ter wereld, noemt hij een geniale man. “He can
see parents,” zegt Alan, die daarmee bedoelt dat Toshio de gave heeft om
geschikte moederdieren te herkennen, maar ook precies kan voorspellen welke
koppels succesvolle broedsels zullen opleveren. Moederdieren, zelfs die van
Sakai, zijn vaak niet om aan te zien.
“Toshio Sakai, volgens Alan de beste kweker
ter wereld, noemt hij een geniale man.”
Mannetjes vs. vrouwtjes
Over mannetjes en vrouwtjes is
Alan heel duidelijk. Beide geslachten verdienen een andere behandeling, al was
het alleen maar omdat hun stofwisseling totaal anders is ingericht. Alan doelt
hier met name op het te voeren temperatuurverloop en voederregime. Waar
(geslachtsrijpe) vrouwtjes elk voorjaar kuit vormen, is de stofwisseling van
mannelijke Koi jaarrond vrij constant. Volgens Alan kunnen we van deze zekerheden
gebruikmaken.
“Als vrouwtjes jarenlang zowel ’s
zomers als ’s winters op hogere temperaturen worden gehouden, is de kans op
kuitproblemen sterk vergroot. Dat is een feit waaraan we maar weinig kunnen
veranderen. Wel kunnen we het risico op kuitproblemen verkleinen door vrouwtjes
elk jaar een rustperiode te gunnen, zoals de karper dat ook in de vrije natuur
gewend is. Evenwel zitten mijn vrouwtjes er ’s winters warmpjes bij. Zo tussen
de 16 en 17 ˚C. Nét te koud om ze hard te laten groeien, maar warm genoeg om ze
een zachte winter te geven. Om de Koi bovendien te ‘dwingen’ om de aangemaakte
eitjes terug op te nemen, worden zij tijdens deze rustperiode nauwelijks
gevoerd. Nu heb ik niet het idee dat de vrouwtjeskoi hierdoor minder hard
groeien. Integendeel zelfs: gedurende het groeiseizoen blijken de dieren hun
‘achterstand’ razendsnel in te halen.”
Alan vervolgt zijn betoog met
zijn adviezen ten aanzien van mannetjeskoi. In zijn vijver wijst hij naar een
prachtige Ginrin Showa, en hij vraagt me naar het geslacht. Mij beroepend op de
buikpartij roep ik zonder te twijfelen ‘female!’ Maar niets is minder waar. Dit
bakbeest is wel degelijk een mannetje. Hoe Alan dit kunstje flikt? Het recept
lijkt simpel: “mijn mannetjes zitten eigenlijk altijd wel in een verwarmde
vijver, hoewel ik ook hen een matige winterrust bezorg. Van een graad of 26
wordt de temperatuur geleidelijk teruggebracht naar een minimale waarde van 18
˚C, om vervolgens weer langzaam opgeschroefd te worden. Daarbij worden de Koi
het hele jaar door ruim gevoerd. Vrijwel al mijn mannetjeskoi hebben zich zodoende
een vrouwelijke lichaamsbouw aangemeten. Die Showa waar ik je op wees, won de
eerste prijs in zijn klasse op de National Koi Show 2006. Is dat niet
fantastisch?!” Overigens speelt Alan nog elke winter met de optimale
temperatuur. Hij realiseert zich immers maar al te goed dat de omstandigheden
op de Britse eilanden duidelijk verschillen van de situatie in Japan. Alan
vindt het een uitdaging om de gulden middenweg te definiëren.
Moddervijver
Zoals reeds in de inleiding werd
benadrukt, doet de vijver van de familie Coogan aan een moddervijver denken.
Hij is dan ook naar Japans voorbeeld gebouwd. Enkel de modder ontbreekt. Als we
de inhoud van het filter erbij optellen, dan telt de totale vijverinhoud zo’n 750.000 liter. De
vijver is met folie bekleed en heeft de vorm van een halve maan. Aldus omarmt
de waterpartij de zuidvleugel van het Victoriaans ogende landhuis. Vanuit de
woonkamer is er een prachtig uitzicht over de vijver en de tuin, waarin eigenschappen
van de Engelse school te herkennen zijn. Accessoires zorgen hier en daar voor het
oosterse accent. Prominent is de op een theehuis lijkende pergola, die de
watertuin met het achterliggende stuk land verbindt. Verder is ook de waterval
opvallend. Het maakt deel uit van Alan’s circulatiesysteem dat het koihuis met
de vijver verbindt. In Koi Wijzer 30 komen we hier nog uitgebreid op terug.
De plas water wordt omringd door
een vlonder van geribbeld hardhout. Die is er vooral uit het oogpunt van
bereikbaarheid gekomen. Alan vind zijn vissen immers belangrijker dan de
aankleding van de vijver. De borders op de achtergrond zijn rijkelijk beplant
met onder meer bamboe, siergrassen, palmen en Cordylines. Ze geven het geheel
een besloten sfeer.
Op de vraag waarom Alan de
omstandigheden van een moddervijver probeert na te streven, antwoordt hij
resoluut: “omdat menig Koi vanaf het moment van aankoop ‘downhill’ gaat. Het
ongetrainde oog ziet wellicht nog geen verschil, maar als je deze exemplaren
vergelijkt met Koi die net uit een moddervijver zijn gevist, dan weet je wel
beter. Die kwaliteit is werkelijk on-ge-kend en kun je onmogelijk in een
steriele vijver behouden, laat staan bereiken! Dat het water hier zo groen als
gras is, is dus een doelbewuste keuze. En kijk eens naar de vissen. Ze voelen
zich als goden in Frankrijk. Weliswaar hebben ze de hele dag te eten, nog altijd
duikelen ze over elkaar als ik een hand voer in het water gooi. Waar ze het
laten, weet ik echt niet. Maar onverzadigbaar zijn ze zeker.”
Levende kunstvorm
Wegdromen is geen kunst bij de
vijver van Alan. Hoewel het water behoorlijk groen is, zie je hier en daar een
kleurrijke schim voorbijgaan. Rustig en gedecideerd. Het heeft wel iets. Steeds
weer zie je een Koi die je nog niet eerder hebt gezien. Maar allemaal zijn ze
even mooi.
Ieder mens, ongeacht zijn
afkomst, komt tot rust als hij het gedrag van vissen observeert. Volgens Alan
komt dat doordat mensen altijd al met vissen hebben geleefd. Het houden van Koi
beschouwt hij dan ook als volkomen natuurlijk. En daarnaast als kunstvorm. Niet
voor niets weten koihobbyisten andere kunstvormen te waarderen. “Ze houden niet
alleen van Koi, maar vaak ook van muziek, mooie bloemen en schilderijen”, denkt
Alan. Het koihouden is echter meer dan een kunst alleen. “Het is een
uitgebalanceerde mix tussen een ambacht, een kunst en een wetenschap.”
En laten we dit alles aan een
aantal rijstboeren uit Niigata te danken hebben. Alan steekt het niet onder
stoelen of banken een fan van Niigata - en daarmee de traditionele
koi-industrie - te zijn. Het dorp Mushigame, daar waar alles ooit begonnen is,
vergelijkt hij vaak met het Engelse plaatsje Newmarket. In Newmarket vind je
namelijk de beste fluisteraars, de beste menners en de beste leerlooiers. In
Mushigame zie je hetzelfde, maar dan op koigebied. Het behoeft geen betoog dat
men in verschillende contexten van elkaar de kunsten afkijkt, en dat
‘concurrentie’ de prestaties van alle partijen aanjaagt. Als men dezelfde ‘taal’
spreekt, dan oefent men direct invloed op elkaar uit. In Niigata spreekt men de
taal van de Koi. “Het zit er in de lucht”, zegt Alan dan.
Nog niet uitgeleerd
Als Coogan de koihobby een
continu leerproces noemt, stel ik hem een suggestieve vraag. ‘Of hij al is
uitgeleerd’. Hij kijkt me vertwijfeld aan en haalt eens diep adem. “Nee, ik zal
het je nog sterker vertellen: ik ben pas net aan de eerste etappe begonnen! Aan
het begin van de hobby sta je aan de bron van een rivier. Het is dan nog
slechts een stroompje en het uitzicht is fantastisch. Je wordt enthousiast en
wilt meer ontdekken, maar al snel merk je dat de rivier breder en dieper wordt.
Op een gegeven moment kun je de oevers nog maar nét zien en ga je bijna kopje
onder. Dat is het moment waarop je inziet dat je eigenlijk nog helemaal niks
weet... Op het gebied van paarden heb ik nu misschien een mooi uitzicht over
zee, mijn kennis van Koi reikt nog lang niet zover.”
Het artikel De koifluisteraar verscheen ook in Koi Wijzer 29, Keizerrijk Nishikigoi.
Is hiermee je belangstelling voor het magazine Koi Wijzer gewekt? Kijk dan hier voor meer informatie!
Lees ook:
Aoki, Marudo en Coogan in jury
Koi Wijzer 29, Keizerrijk Nishikigoi
|