|
Een van de meest herkenbare overeenkomsten tussen koihobbyisten onderling is, naast het vergaren van alle mogelijke informatie, dat ze met een constante zoektocht bezig zijn hun kennis nog meer te vergroten.
Dit is maar goed ook, anders zouden koitijdschriften, boeken en video’s niet meer verkocht worden. Afgaand op de vraag naar video’s en boeken blijkt dat er duizenden gretig zoekende hobbyisten zijn met een haast onverzadigbare honger naar informatie. Deze informatie wordt tot zich genomen en men valt in herhaling terwijl er duidelijke meningsverschillen zijn over bepaalde aspecten van de hobby.
Bepaalde kwekers hebben ouderparen die specifieke variëteiten van Koi voortbrengen. Choguro Purachina heeft op dit moment de beste Purachina (Platinum Ogon, red.) ter wereld. Elk jaar kweekt hij verschillende high grade Tategoi van fantastische kwaliteit, waar niemand in Japan of waar dan ook terwereld aan kan tippen. Een kweker uit Hiroshima kweekt de beste Shiro Utsuri, zijn naam is Omosake. Ondanks hun successen leven deze kwekers op een tijdbom omdat wanneer zij hun ouderparen verliezen, wat zeker een keer zal gebeuren, zij opnieuw een combinatie moeten vinden die dezelfde hoge kwaliteit kan voortbrengen. Wanneer er geen bloedlijn is wil dit niet zeggen dat wanneer Omosake een van zijn vrouwtjes zou verliezen, hij niet met de mannetjes verder zou kunnen kweken, bijvoorbeeld met de dochters van dit vrouwtje. Hij zal echter waarschijnlijk niet dezelfde kwaliteit Shiro Utsuri kunnen kweken als voorheen, ditzelfde geldt voor Choguro met Purachina. De ontwikkeling van ouderparen die prima kwaliteit leveren kost tijd en er gaan vaak vele generaties voorbij voordat men een combinatie heeft die high class kwaliteit voortbrengt. Choguro probeerde al jarenlang Purachina te kweken, met fantastische vrouwtjes, die dezelfde hoge kwaliteit heeft als die wij van hem verwachtten. Het was zuiver geluk dat hij op een dag naar een veiling ging en een Purachina mannetje kocht voor slechts 500 gulden. Hij gebruikte hem niet voor al zijn vrouwtjes, maar zette hem in een speciale vijver waar de hom van het mannetje zich vermengde met eitjes van één van zijn vrouwtjes. Toen de vijver met Tosai (éénjarigen) werd geoogst, had Purachina voor de eerste keer weer die kwaliteit die van hem verwacht werd, het mannetje werd hierna nog meerdere malen gebruikt. Het maakt niet uit hoe lang hij dat ene mannetje gebruikt, maar wanneer het mannetje sterft wil dit niet zeggen dat hij opnieuw dezelfde kwaliteit kan leveren met een andere man, dit geldt ook voor Omosako en ander kwekers. Een bloedlijn verder ontwikkelen en kweken uit dezelfde ouderparen voor twintig jaar geeft meer zekerheid dan telkens nieuwe vis kopen, tegenwoordig is echter de bloedlijn nauwelijks belangrijker dan de Koi zelf. Laat ik het uitleggen; iedereen kan Dainichi, Matsunosuke Koi of Jinbei, Torazo Koi kweken, het enige waar je voor moet zorgen is dat je de juiste ouderparen hebt. Bijvoorbeeld toen ik Jinbei interviewde voor mijn boek "Koi Kichi", vertelde hij me dat hij elk jaar relatief weinig Koi kweekte omdat elke kweker in Japan Jinbei ouderparen heeft, ditzelfde geldt ook voor Matsunosuke en anderen. De meest serieuze kwekers in Japan zorgen dat ze Matsunosuke Koi hebben. Als je bijvoorbeeld een kijkje zou nemen in Torazo’s vijver dan zou je zo verschillende Matsunosuke Koi kunnen aanwijzen. Ik zal in het kort de belangrijkste eigenschappen van diverse bloedlijnen aangeven. De eigenschappen van Matsunosuke zijn een onderwerp waar ik al menig artikel aan gewijd heb, maar voor degenen die ze nog niet gelezen hebben, moet ik eerst vertellen dat twintig jaar geleden Mr. Toshio Sakai al een vooruitziende blik had, wat betreft het feit dat er geen vooruitgang was in het kweken van Koi, er werden geen nieuwe ideeën geïntroduceerd en de meeste kwekers waren behoudend en tevreden met hun traditioneel opgebouwde kweekmethoden. Mr. Toshio Sakai wil niet één maar telkens twee stappen vooruit zijn. Het is ongeveer twintig jaar geleden dat hij origineel zwart karperbloed opnieuw toegevoegd heeft. Dit was nodig omdat na jaren en jaren kweken de Koi van toen nog maar weinig gemeen had met de oorspronkelijke Koi. De bouw werd steeds ronder met mollige wangen, wat de jury toentertijd graag zag. De kwekers gingen toen vissen kweken die totaal niet meer karperachtig waren. Wat nog belangrijker was, was het feit dat deze Koi nooit langer werden dan hooguit 70 cm. Sakai geloofde dat wanneer hij opnieuw Magoi bloed zou toevoegen in zijn ouderparen (die al Matsunosuke voortbrachten), hij niet alleen de traditionele en karakteristieke Sanke zou kweken maar dat deze ook langer zou worden. Tegenwoordig kweekt hij high class Koi met een lengte van 80 tot 90 centimeter, ondanks de groei in lengte bleef de kwaliteit hetzelfde of verbeterde zelfs. De eigenschappen van Matsunosuke? Intens rode pigmentatie, git-zwart Sumi, puur wit gecombineerd met de Fukurin huid. Shintaro (Mushigame) gebruikt alleen Matsunosuke ouderparen die deze fijne Fukurin huid hebben, deze huid beschrijft Sakai als het verschil tussen katoen en zijde. De pigmentatie van deze bloedlijn verschilt echter omdat Shintaro, met dezelfde bloedlijn, zeer dof rood en zwart kweekt, terwijl het wit exact hetzelfde is als bij Sakai’s vissen. Je hoeft het wit niet te versterken, het zit namelijk in de bloedlijn. De reden waarom Sakai’s Go Sanke Tosai ongelooflijk rode en zwarte pigmentatie heeft op een wondervolle witte "ondergrond" komt omdat hij het bronwater gebruikt van Isawa. Hij heeft geen controle over de kleur omdat dit niet komt door het voer wat hij geeft maar door de mineralen in het water. Hij kan het rood wat doorkomt gewoonweg niet tegenhouden! De vissen die hij met twee jaar wil verkopen houdt hij in Isawa, de vissen die hij niet wil verkopen gaan in de zomer naar Niigata en krijgen ook geen kleurversterkend voer. Zijn broers vissen in Niigata kunnen er dus net zo oninteressant uitzien als naar mijn mening Shintaro’s Koi. Toshio Sakai heeft ooit eens zijn excuses aangeboden voor het feit dat zijn Koi te rood zijn of dat het Sumi te zwart was. Hij gebruikt geen kleurversterkend voer, maar mengt gekookt gerst met 10% zijderupspoppen. De vissen worden nu langer en omdat er lang geleden Magoi bloed is toegevoegd komt dit ook tot uiting in de Matsunosuke bloedlijn (meestal na vier of vijf jaar). Ik ken één van Sakai’s vissen die pas op achttienjarige leeftijd volgroeid was en toen goed was om de All Japan Show te winnen (deze heeft ook drie van de laatste vier winnaars voortgebracht). Jinbei Sanke was ooit een fantastische vis terwijl hij nu bijna niet meer voorkomt. Hij werd oorspronkelijk gekweekt vanuit Torazo waaruit Sanke’s afstammen die we tegenwoordig kennen. In de zestiger en zeventiger jaren was Jinbei Sanke helemaal in, met heel veel grote zwarte patronen, wat we tegenwoordig te dominant vinden. Het wit, rood en zwart hebben bijna dezelfde verhoudingen. Het zijn mooie opvallende Koi, maar het rood is niet zo intens. Ik denk dat de Jinbei bloedlijn langzaam in de geschiedenisboeken terecht zal komen. Wat betreft de Sakuma bloedlijn: die eigenschappen stammen af van Sensuke voor Kohaku en de Sadazo bloedlijn voor Sanke en vanuit deze twee heeft hij nu zijn eigen bloedlijn gekweekt. Miyatora’s Kichinai bloedlijn in Niigata heeft een handelsmerk wat zich meestal kenmerkt met een getrapt Kohaku patroon en het is bijna altijd Subo Sumi, wat betekent dat het zwarte patroon over de witte gebieden valt. Een goed voorbeeld vaneen Kichinai Sanke is een Maruten hoofd gevolgd door een witte breuk, een ander rood patroon, witte breuk enzovoorts en zwarte patronen op alle witte gebieden, de Sumi is van een delicaat gitzwart. Er zijn er niet zo veel gekweekt en ze zijn onderling heel verschillend. De Sanke bloedlijn van Toraza, Matsunosuke, Kichinai en Sadazo zijn allen afkomstig van Torazo ouderparen. Kwekers die deze ouderparen gebruiken zijn bijvoorbeeld Hasegawa van Ojiya en Tanaka van Koguriyama. Torazo Sanke Sumi houdt het tussen Kichinai en Jinbei, vaak met meer Sumi dan Kichinai maar lang niet zo veel als bij Jinbei". Wanneer je tot midden jaren tachtig een Dainichi Koi kocht, was dit ook echt een Dainichi. Dit kwam omdat hij tot dat moment weigerde om zijn mannetjes te verkopen, na die tijd is hij ze gaan verkopen. Er is een duidelijk verschil tussen een Dainichi Kohaku of een Kohaku gekocht van Dainichi. Tachtig procent van de voorraad die hij verkocht in Iwamagi kwam van andere kwekers. Zijn beste Tategoi worden gehouden in gesloten vijvers in Ojiya City en alleen zijn beste klanten werden hiermee naartoe genomen. De man was briljant en zeker één van de beste koikwekers ter wereld, maar er zijn maar weinig mensen die zijn vissen konden betalen. Alle kwekers kweken een bepaald aantal Tategoi en de vraag naar Dainichi Koi van klanten die niet op een cent hoeven te kijken, maakte dat hij heel makkelijk al wat hij kweekte kon verkopen. Alle andere klanten die zich verzamelden in zijn winkel in Iwamagi dachten dat ze een echte Dainichi kochten en keken niet goed genoeg. Ze waren op Dainichi’s grond, dus ze kochten! Minoru Manu (Dainichi) gebruikte oorspronkelijk Manzo en Tomoin bloedlijnen in het begin van de jaren tachtig. Ik kon toen deze bloedlijnen zo in zijn vijvers aanwijzen, omdat hij de ouderparen gescheiden hield (Manzo is een veel donkerder pigmentatie). Totdat hij één van de ouders verloor. Een van de handelskenmerken van Dainichi Koi is dat ze heel groot kunnen worden, maar tegenwoordig kan ik niet meer zo duidelijk een Dainichi vis aanwijzen in een willekeurige vijver, waarin verschillende bloedlijnen rondzwemmen. Ze missen de duidelijke kenmerken. Tekst: Peter Waddington Vertaling: Marijke Walschots |