Home arrow Koi Base arrow Koi en Variëteiten arrow Go-Sanke - alles wat telt
Go-Sanke - alles wat telt PDF Drucken E-Mail
Geschrieben von Dennis Barten   
Thursday, 31 January 2008

Wit, zwart en rood. Ze vormen de grondslag van de Go-Sanke groep. Go-Sanke, een veel gebruikte verzamelterm, staat voor de drie belangrijkste variëteiten: Kohaku, Taisho Sanshoku (Sanke) en Showa Sanshoku (Showa). Waarom wordt deze groep zo van belang geacht? En wat is er mis met al die andere variëteiten? Klik hier voor de PDF-versie van het artikel.

Om met de laatste vraag te beginnen: helemaal niets. Dat Go-Sanke zo hoog wordt gewaardeerd, kan voor een deel worden toegeschreven aan de cultuur van het wereldje Koi. Maar ook de moeilijkheid van het kweken van een goede Kohaku, Sanke of Showa speelt een rol. Verder zijn kleurencombinaties van wit, rood en zwart zo rijk geschakeerd, dat ze maar zelden vervelen.

‘Heilige’ drie-eenheid
Hoewel sommige bronnen vier (Kohaku, Sanke, Showa en Shiro Utsuri) of vijf (Kohaku, Sanke, Showa, Shiro Utsuri en Bekko) variëteiten onder de noemer Go-Sanke scharen, gaan de meeste uit van de drie belangrijkste varianten, zoals hierboven reeds in de inleiding is geschetst. De Go-Sanke groep heeft een streepje voor op alle andere variëteiten. Vandaar ook dat we haar in een apart artikel bespreken. Niet alleen is het op koishows bijna altijd Go-Sanke wat de klok slaat, ook vormen de patroonstandaarden van de Kohaku, Sanke en Showa een gewichtige leidraad voor de meeste andere variëteiten. Zo heeft een goede Hariwake dezelfde patroonverdeling als een goede Kohaku. Het enige verschil is dan dat de patronen geel zijn in plaats van rood.


Kohaku

Kohaku
Een Kohaku is een witte Koi met rode (hi) patronen. Deze op het eerste gezicht eenvoudige doch inspirerende combinatie maakt deze variëteit tot de meest gewilde ter wereld. Bij beginners, maar ook bij gevorderden. Het wit-rode samenspel trekt de aandacht van veel beginners. Zij worden echter al snel afgeleid door de felgekleurde metallic variëteiten. Maar naar verloop van tijd keert de kenner weer terug naar zijn wortels. De Kohaku, in al haar simpelheid, is het ideale ensemble tussen twee aan elkaar gewaagde kleuren. Geen twee Kohaku zijn gelijk. Aldus laat zich de fascinatie gemakkelijk verklaren.

“De Kohaku, in al haar simpelheid, is het ideale ensemble tussen twee aan elkaar gewaagde kleuren.”

De Kohaku wordt nu meer dan 100 jaar zuiver gekweekt. Oude manuscripten hebben echter duidelijk gemaakt dat de eerste rood-witte mutanten van de gewone karper (Magoi) al in het begin van de 19e eeuw in de vijvers van Japanse rijstboeren paradeerden. Deze waren per toeval ontstaan en werden vanwege hun aparte uiterlijk apart gehouden en onderling gekruist. Niet omdat de rijstboeren een gouden handel voorzagen, maar gewoon, omdat zij ze mooi vonden. Van echte patronen was er toen nog geen sprake, totdat Kunizo Hiroi in 1888 een nieuw tijdperk inluidde. Hij was de eerste die een Kohaku met een volwaardig patroon creëerde. Daaruit is via enkele omwegen de Gosuke-bloedlijn ontstaan, van waaruit alle moderne Kohaku-bloedlijnen zijn voortgekomen.

Een Kohaku is wit met rood, en toch is er geen hetzelfde. Om discussies over de verschillende patronen mogelijk te maken, is er nogal wat vakjargon in zwang. De bekendste termen komen uit het stappensysteem, waarbij elk losstaand patroon als een ‘stap’ wordt gezien. Zo zijn daar nidan (twee stappen), sandan (drie stappen), yondan (vier stappen) en godan (vijf stappen). Treffen we een Kohaku met een doorlopend patroon, dan spreken we van een Ippon Hi Kohaku, tenzij deze de vorm van een bliksemschicht heeft. Dan is het inazuma. De meeste van deze basistermen zijn ook op andere variëteiten, zoals de Sanke en Showa van betrekking. Samenstellingen als Nidan Sanke of Sandan Showa zijn dan ook volkomen normaal. Echter, bij andere variëteiten dan Kohaku worden deze voorvoegsels vaak uit gemakzucht achterwege gelaten.


Een sublieme Kohaku.

Ook wat koptekeningen betreft zijn er verscheidene termen in omloop. Alleen de belangrijkste worden hier aangeroerd. Achtereenvolgens zijn dat: maruten, kuchibeni en menkaburi. Een marutenpatroon is een rode, vrijstaande vlek op de kop. Kuchibeni, dat ‘lipstick’ betekent, staat voor een Koi met rode lippen, en de term menkaburi wordt gebruikt bij Kohaku met een (bijna) volstrekt rode kop. Combinaties van termen zijn natuurlijk ook mogelijk.

Maar dan de paradox: júist omdat het Kohaku-concept zo simpel is, worden er aan deze variëteit hoge eisen gesteld. Dat geldt in mindere mate ook voor de Sanke en Showa.

Taisho Sanshoku
Een Taisho Sanshoku (kortweg: Sanke) is een witte Koi met rode (hi) en zwarte (sumi) patronen. Terwijl ‘Taisho’ verwijst naar het tijdperk waarin de Sanke is ontstaan, namelijk de Taisho-periode (1912-1926), betekent ‘Sanke’ letterlijk ‘drie kleuren’. De kleuren wit, zwart en rood.

Het geboortejaar van de Sanke is ongeveer 1914, toen een wit-rood-zwarte Koi als bijproduct van een Kohaku-kweek in een broedsel werd gevonden. Ongeveer in dezelfde periode kruiste een andere kweker een Kohaku met een Shiro Bekko (witte Koi met kleine, zwarte patronen), hetgeen eveneens in een kweek van Sanke resulteerde. Dit laatste resultaat lag aan de basis van de inmiddels legendarische Torazo-bloedlijn. Deze bloedlijn is één van de belangrijkste fundamenten van de hedendaagse Sanke. Moderne bloedlijnen zijn onder meer Jinbei, Sadazo, Matsunosuke en Shintaro.


Een bijzondere ontmoeting tussen een Sanke en een Magoi.

Zoals reeds meermalen benadrukt, is een goede Sanke een Sanke met een Kohaku-patroon. Dus om een Sanke op het patroon te beoordelen, denk je simpelweg de sumi-spots weg en vraag je je af of er een goede Kohaku zou overblijven. Het zwarte aspect is slechts een accent en kan tekortkomingen in de rode patronen dus niet compenseren. Een Sanke kan nóg zo’n fantastisch sumi-patroon hebben, als de verdeling van het hi niet in orde is, wordt het nooit een goede Sanke. Toch kan het sumi van doorslaggevende waarde zijn. Zo is de juiste plaatsing van de zwarte patronen van belang. Met name het schoudergebied weegt zwaar.

In de wandelgangen wordt er doorgaans gesproken over enerzijds traditionele en anderzijds moderne Sanke. Het verschil tussenbeide zit hem vooral in de krachtverdeling van de drie primaire kleuren. Moderne Sanke hebben verhoudingsgewijs meer wit dan hun ‘oudere’, traditionele neefjes en nichtjes.

Onder de grote Sanke-paraplu is ook de Hi Sanke ondergebracht. Een Hi Sanke is een Sanke met een groot aandeel in rode patronen.

Showa Sanshoku
Een Showa Sanshoku (kortweg: Showa) is een zwarte Koi met rode en witte patronen. Het feit dat de Showa een zwarte ondergrond heeft, onderscheidt haar van de Sanke, die juist een witte basis heeft. Van de drie variëteiten die samen de Go-Sanke groep vormen, is de Showa het meest recent. Veel liefhebbers vinden het onderscheid tussen een Sanke en een Showa moeilijk te maken. Maar ook hier geldt: oefening baart kunst. De volgende vuistregels sturen ons in de goede richting, al zijn er altijd uitzonderingen op de regel.

-         Sanke-sumi is als het sumi van een Bekko;
-         Showa-sumi is als het sumi van een Shiro Utsuri;
-         Bij een Sanke komt het sumi in principe niet onder lateraallijn;
-         Bij een Sanke zit er in principe geen sumi in de bek;
-         De borstvinnen van een Showa hebben vaak een zwarte basis (motoguro);
-         De borstvinnen van een Sanke zijn óf wit, óf hebben streepjes (tejime).

Het eerste exemplaar stamt uit het jaar 1927, toen een kweker uit Niigata een Ki Utsuri (zwarte Koi met gele patronen) met een Kohaku kruiste. Je zult begrijpen dat de rode patronen van de eerste nakomelingen eerder oranje dan felrood waren. Pas drie decennia later werd de Showa een volwassen variëteit, doordat men het betere Kohaku- en Sanke-bloed in de Showa-bloedlijnen ging brengen. En zo kon het gebeuren dat het oranje naar scharlakenrood verkleurde en het sumi zich ging verdiepen.


Showa

Net als bij de Sanke bestaat er bij de Showa een arbitrair onderscheid in de moderne en traditionele Showa. De moderne Showa, ook wel Kindai Showa genoemd, heeft een groter aandeel wit dan de ‘traditionele’ variant.

Bij de beoordeling van het patroon wordt vooral de onderlinge verhouding tussen het zwart en het rood beschouwd. Het is nu niet meer zo van belang om buiten het sumi een goed Kohaku-patroon te herkennen, maar meer dat er een oogstrelende balans bestaat tussen het hi en het sumi. Ook is de zwarte koptekening van belang. Daarvan worden twee typen onderscheiden. Zo wordt met menware een koptekening aangeduid die aan een bliksemschicht doet denken, en wordt daarnaast ook dikwijls een V-vormige koptekening gezien.

Een Showa met een groot aandeel rood wordt Hi Showa genoemd. Deze subvariëteit wordt vaak met de Hi Utsuri verward. Deze heeft echter per definitie géén witte patronen.

Verder lezen?
Download dan hier de PDF-versie van het artikel! Het artikel Go-Sanke - alles wat telt verscheen ook in Koi Wijzer 29, Keizerrijk Nishikigoi.

Is hiermee je belangstelling voor het magazine Koi Wijzer gewekt? Kijk dan hier voor meer informatie!
 

(C) 2008 www.koi2000.com by Weduwe.COM